De Zwalmstreek is nog altijd een agrarisch gebied, met een tweetal kastelen, een aantal grote hoeven, kerken en een reeks kapellen. Voor grote historische middeleeuwse gebouwen, waaronder monumentale kerken en stadshuizen, wordt verwezen naar de steden Aalst, Gent en Oudenaarde. Alleen al voor de landelijke vergezichten is het lust en een must om de Zwalmstreek te bezoeken.
Het
kasteel is gelegen in de nabijheid van de kerk van Beerlegem, in een prachtig
park van circa
De
Munkbosbeek die door het domein loopt en een dertiental bronnen leveren via een
systeem van leidingen en sluizen het water aan de slotgrachten en aan drie
vijvers, die op een verschillend niveau zijn gelegen.

De
geschiedenis van het kasteel gaat terug tot Diederik van Berleghem (1196) , die
de oudst gekende Heer is van Beerlegem.Wanneer het oude kasteel werd gebouwd is
niet bekend. Op oude prenten staat het afgebeeld op een rechthoekig eiland met
twee bruggen.
Het
huidige kasteel werd gebouwd omstreeks 1730, nagenoeg op dezelfde plaats als het
oude. Het is een rechthoekig gebouw met zowel aan voor- als achterkant, een
trap die toegang
Geeft tot een in het midden gelegen deur.
Boven
de middenpartij van drie traveeën, bevindt zich, zowel aan voor- als achterkant
een fronton, met het gebeeldhouwd wapenschild van de eigenaar de markies van
Rode. Aan weerzijde van de middenpartij
bevindt zich een vlakke vleugel van drie traveeën. Twee zijvleugels van één
travee werden in 1872-1876 aan het kasteel toegevoegd. Zowel aan voor- als achterzijde springen
deze iets vooruit ten opzichte van het centrale gedeelte.
Voor
het kasteel ligt het zogenaamde neerhof. Het bestaat uit twee langgerekte gebouwen van elf traveeën, één op de
oostzijde en één de westzijde van het erf dat toegang verleent tot het kasteel.
Beide gebouwen dateren van eind van de 18e eeuw. Bij de ingang van het kasteel ligt een oude
ijskelder uit 1843.
Op
de westelijke hoek van het kasteelplein staat sinds 1969 de schandpaal van de
baronie van Beerlegem. Deze schandpaal (met oorspronkelijk ketting en
halsband) in Balegemse zandsteen stond
aanvankelijk op het dorpsplein van Beerlegem, maar werd tijdens de Franse
revolutie verborgen en later teruggeplaatst op een eilandje ten noordwesten van
het kasteel. Een gebeeldhouwde leeuw met het wapenschild van de familie
Rodriguez d’ Evora y Vega, het land van Rode en de baronie Beerlegem, werd
gestolen in 1970.
Op
de zuidelijke hoek van het kasteeleiland
staat de schandpaal van de heerlijkheid Welle/schelderode (grijze
hardsteen met vierkant voetstuk met gehurkte leeuw die het wapenschild voor
zich houdt). Op de oostelijke hoek staat de schandpaal van de heerlijkheid Gontrode (grijze
hardsteen met vierkant voetstuk met gehurkte leeuw met het wapenschild omgeven door een mantel). Op de noordelijke
hoek staat de schandpaal van de heerlijkheid Oosterzele (grijze hardsteen met
vierkant voetstuk met gehurkte leeuw die het wapenschild voor zich houdt).
Het
monumentale smeedijzeren hekken werd geplaatst in 1861. Het kasteel is niet
toegankelijk voor het publiek. Dankzij de gastvrijheid van de huidige bewoners,
kan de bezoeker de dreven van dit domein bewandelen.
Het
domein is eigendom van Graaf d’ Ursel de Bousies, een afstammeling van de
vroegere eigenaar, de markies van Rode, Lopez Maria Rodriguez Evora y Véga.
(Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz. 40 en 41).
Het
“zeventorenkasteel” te Roborst werd verwoest in 1792. Er bleef nog slechts één
toren over. Het gaat om een bakstenen ronde traptoren met puntdak uit de 16e
eeuw. De onderbouw van de toren enkele kelders, in de volksmond “het
duivelsgat”genoemd . Hij geeft het vroegere niveau aan van de begane grond die
toen veel lager was. Op een figuratieve kaart uit de 17e eeuw wordt
het toenmalige kasteel voorgesteld met vier vleugels op vierkant grondplan, met
op elke hoek een toren en omwald.
Daarnaast een neerhof en een poortgebouw met twee torens. Volgens de
overlevering zou het gebouw echter zeven torens hebben gehad.

In
1799! Liet Marie-Charlotte Van de Woestijne, vrouwe van Roborst, op het domein
een landhuis optrekken naar het voorbeeld van ‘
De
witwarmeren Korintische zuilen in de hall komen uit de abdij van Ename
(Oudenaarde). Het kasteel en ook de oude toren zijn gelegen in een prachtige
landschapstuin met grote vijvers, die gevoed worden door dezelfde bronnen die
de waterkersteelt te Roborst mogelijk maken. De dienstgebouwen staan op de
plaats van het oorspronkelijk neerhof.
Het
domein is niet toegankelijk voor het publiek.
(Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz. 41en 42).

Het kasteel
van Roborst is thans te koop.
U kunt voor
meer foto's van het kasteel terecht op onze webpagina "fotogalerij"
link naar "Roborst" en link naar "recente foto's".
Voor meer
info over de koopprijs en voorwaarden wordt verwezen
naar "DW Immo Wellens & Partners."
1.2.1 De motte van Roborst
Ten zuiden van het kasteel
van Roborst achter de hoeve (Hof ten
Daele) bevindt zich een vrij goed bewaarde castrale motte. De motte staat ten
onrechte bekend als “tumulus” (grafheuvel).
Het toponiem motte betekent “aarden ophoging”.
Een castrale motte is in de striktste betekenis van het woord een
kasteel of versterking op een aarden ophoging.

Volgens
Sam De Decker, volstaat een blik op de inplanting – in de vallei van de
Zwalmbeek – om de structuur als een middeleeuws mottekasteel te identificeren.
Het opperhof is beplant met enkele
populieren en wordt gebruikt als weiand.
De aanaarding vertoont een bijna
perfecte circulair grondplan +/-
2.1 Inleiding
De
eerste watermolens in de Zwalmstreek worden reeds in de elfde eeuw vernoemd. In
het begin van de 19e eeuw waren wind- en watermolens nagenoeg de
enige bron van energie. Ze werden niet alleen gebruikt om meel of om chicorei
te malen, maar ook om olie te pletten, mais en rijst te pellen papier te maken
enz.
Men onderscheidt onderslag- en bovenslagmolens, naargelang het water onder of bovenop het waterwiel terechtkomt. Een watermolen vraagt een voldoende verval en een voldoende debiet om te kunnen draaien. Omdat in de dalbodem van de Zwalm het verval niet altijd voldoende is, heeft men dikwijls evenwijdig aan de rivier een klein zijkanaal aangelegd, waar langs het water werd afgeleid door middel van sluizen. Om een voldoende debiet te verzekeren, werd tussen twee maalbeurten in het water opgespaard. Daarvoor werd de beek stroomopwaarts verbreed of soms werd een spaarvijver aangelegd. (Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz. 42 en 43).
Deze
molen aan de Zwalm gelegen in de deelgemeente St. Maria-Latem. Vlakbij de
herberg ‘Klein Zwiterland’. Tegenover de molen staat het Stampkot, waar vroeger
door middel van stampen olie werd geproduceerd uit lijnzaad. Het stampkot is
momenteel ingericht als restaurant. Uit
bronnenmateriaal kan opgemaakt worden dat er op deze locatie in de molen reeds
sprake was van papierproductie in 1571-1572. Later werd de molen een
graanmaalderij. Eind 19e
eeuw heeft de molen een tijdlang dienst gedaan als brouwerij annex
flessenspoelerij. In 1998 werd de Ijzerkotmolen beschermd als monument. In 1998
werd gestart met de restauratie van het maalwerk. (Bron: “Zwalm, Het twaalf
dorpenparadijs”, blz. 46).

Zicht op de ingang en de zijkant van taverne "De Ijzerkotmolen" (Foto's: Frans Roest)
In
de nabijheid van de Ijzerkotmolen ligt aan de Zwalmbeek de herberg ‘Klein
Zwitersland’. De herberg was in het
begin van de 20e eeuw een sluiswachterswoning. Het sluishuis werd
tevens als herberg ingericht. Als naam
voor de herberg werd gekozen voor ‘Klein Zwitserland’, omdat de sluiswachter
deze plek in zijn verbeelding vergeleek met Zwitserland: de bergen met de
omringende heuvels, de meren met de vijver; de rivieren met de beek en de
watervallen met het sluis. In het pand is heden ten dage nog altijd een taverne
gevestigd.
(Bron: “Zwalm, Het
twaalf dorpenparadijs”, blz. 52).
In Sint-Denijs-Boekel, op
de grens met Horebeke stroomt de Boekelbeek. Langs deze beek staat de
Moldergemmolen, aan de voet van de Molenberg. De Molenberg is gekend uit
wielerklassiekers als de Ronde van Vlaanderen en het Omloop het Volk. De
Moldergemmolen ontleent zijn naam aan het gehucht Moldergem. Reeds in 1229
behoorde deze molen tot het domein van de Benediktijnerabdij van Ename
(Oudenaarde). De molen schijnt aanvankelijk een zaagmolen te zijn geweest, maar
later ook een olie- en graanmolen. In 1871 werd er een stoommachine
geïnstalleerd. De binneninstallatie blijkt nog intact. Ook het bovenslagwiel en
het sluiswerk zijn nog in behoorlijke staat.
(Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz. 46).

2.5 De Vanderlindenmolen in
Nederzwalm-Hermelgem
Deze bakstenenmolen bevindt zich in de Biestmolenstraat, op
een aftakking van de Peerdestokbeek (verlengde van de Boekelbeek). De molen
heeft achtereenvolgens dienst gedaan als blekerij of wasmolen, als oliemolen en
vanaf 1870 als graanmolen. De benaming is afkomstig van een vroegere
eigenaar. Het molenhuis is een
zelfstandig gebouw met twee toegangsdeuren. Er zijn twee koppels maalstenen.
Sinds 1963 wordt de molen niet meer gebruikt.
(Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz. 43).
2.6 De Terbiestmolen in Nederzwalm-Hermelgem
Deze molen staat in de Biestmolenstraat in de onmiddellijke
nabijheid van de gewestweg Aalst-Oudenaarde. Het waterrad wordt aangedreven via
een aftakking van de Zwalmbeek, die een 100 tal meters stroomopwaarts wordt
afgeleid en onder het woonhuis en straat doorloopt en zo in de molen uitkomt.
De molen werd in 1970 stilgelegd, kort nadat een man bij het smeren van de
assen verongelukte. (Bron:
“Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz. 43 en 44).

Zicht op de
Terbiestmolen (foto: Frans Roest)
2.7 Pedes
molentje
Op
de Passemaregracht juist aan de grens met Velzeke staat het Pedes molentje. Het
molentje ontleent haar naam aan de toenmalige eigenaresse B.Pede-De Clercq die
in 1938 eigenaar werd van dit molentje.
Het
debiet van de Passemaregracht was op zich zelf niet groot genoeg om de molen te
laten draaien. Daarom moest de molenaar het water stuwen tot er genoeg water
was om de molen enkele uren te laten draaien. Het molentje werd in 1999
volledig gerestaureerd. (Bron:
“Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz. 44).

2.8 De
Zwalmmolen of Ten Bergemolen
Deze
toeristisch aantrekkelijke molen staat in de Rekegemstraat te Munkzwalm en is
gelegen aan een fraai wandelpad. In
1040 behoorde de watermolen tot het domein van de Sint-Pietersabdij te Gent. De
molen had in de loop der tijd verschillende functies. Er werd koren gemalen
voor het dagelijks brood. Men perste er olie voor de verlichting, maalden
chicorei, pelden maïs en rijst en verpulverde tabak tot snuif. In 1964 viel de molen stil.
De
molen en het molenhuis behoren sedert enkele jaren tot het patrimonium van de Provincie
Oost-Vlaanderen. Het ligt in de bedoeling de molen volledig te laten
restaureren.
Tegenover
de molen staat het stijlvol molenhuis, waarin een cafetaria wordt uitgebaat. In
het wagenhuis is het provinciaal toeristisch infokantoor gehuisvest. (Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz. 44 en 45).

Zicht op de gesloten taverne "de Zwalmmolen" (Foto’s: Frans Roest)

Zicht op de Zwalmbeek nabij "de Zwalmmolen" (Foto: Frans Roest)
2.9 De
Bostmolen of Machelgemmolen
Deze
molen staat langs de Zwalmbeek in de wijk Machelgem te Roborst. Aanvankelijk waren hier twee molens bekend:
een graanmolen en een oliemolen. Beide molens werden in 1933 administratief
verenigd en de oliemolen hield op te bestaan. De eigendomsgegevens gaan terug
tot 1571. De molen was toen eigendom van jonkheer Joos van Courtewijle,
gouverneur van Oudenaarde, maar werden gepacht door Kerstiaen Keymeulen. In het
begin van de 19e eeuw waren de Machelgemmolens eigendom van de
familie Moreels. In 1866 werd de molen openbaar verkocht, de nieuwe eigenaar
werd landbouwer Karel van Wittenberghe. In 1899 ging de molen over in handen
van familie Plasman. De molen werd aangedreven door een ijzeren bovenslagrad
dat oorspronkelijk was ingebouwd. In begin van de jaren zestig van de vorige
eeuw werd de molen stilgelegd en werden
de maalactiviteiten gestaakt. Tegenwoordig is de molen omgebouwd tot restaurant. In 2003 werd de molen beschermd monument en samen met
zijn omgeving geklasseerd als beschermd dorpsgezicht.
(Tekst: o.a. Geert Wisse).
2.10 De
Stampkotmolen
Deze
molen wordt voor het eerst vermeld in 1563. De molen was gelegen te
Nederzwalm-Hermelgem aan de Stampkotbeek. Tot na 1918 maakte men hier
“lijzekoeken” (gebrokkeld dienden ze als veevoer) en raapkoeken (werden in
aalputten gestoken om deze meststof te
versterken) en raapolie
(brandstof voor o.a. bollantaarns). In 1914 erfde brouwer Omer De Geyter
de molen. Hij vergrootte de molen en liet er een motor plaatsen. Hij raakte
toen bekend onder de naam “lijnkoekwatermolen”. Tijdens de laatste wereldoorlog
draaide de molen nog op volle toeren, maar rond 1950 werd het molenrad
en de molenstenen uitgebroken. Later werd ook het molengebouw afgebroken en
bleven alleen de keermuren bewaard. Het molenhuis zelf werd verbouwd. (Bron: “Zwalm, Het twaalf
dorpenparadijs”, blz. 47).
3.1 De
Vinkemolen te Sint Denijs-Boekel
De
Vinkemolen behoort tot het type staakmolens. Dergelijke molens zijn volledig in
het hout opgetrokken en worden in de bestaande literatuur gerekend tot het
oudste windmolentype. Ze kwamen in de
12e eeuw in Vlaanderen in ontwikkeling. Ze werden gebruikt voor het
malen van onder meer graan. Omstreeks 1830 waren in Oost-Vlaanderen maar liefst 447 staakmolens bedrijvig. Op
dit moment telt Oost-Vlaanderen nog 14 staakmolens.
De
heropbouwde en gerestaureerde Vinkemolen is afkomstig uit Oosterzele, waar hij tijdens
een zware storm in 1983 omver waaide. De wrakstukken van de molen werden
gedemonteerd en gedeeltelijk in de openlucht opgeslagen. In 1998 werden de
resterende onderdelen naar Wijlegem overgebracht en heropgebouwd. De Vinkemolen werd op 13 september 2003
feestelijk geopend.
De
nieuwe standplaats van de molen is uitermate markant en behoort tot een van de
best bewaarde ‘open’ heuvels van de Vlaamse Ardennen. Het perceel waarop de
molen staat, is gelegen aan de weg die thans Wijlegemstraat heet. Maar voor de
fusie van 1971 heette deze weg “Molenstraat”.
Ze leidde immers naar de Franskoutermolen en naar de lager gelegen
watermolen te Moldergem. Deze buurtweg werd reeds vermeld in de 16e
eeuw.
De
Vinkemolen werd opgericht op zo’n
3.2 De
verdwenen Franskoutermolen
Op
het hoogste punt van de Franskouter stond tot in 1946 een forse staakmolen (zie
foto). Volgens een heemkundige studie zou deze molen reeds vermeld worden rond
1500 en behoorde ze toe aan Formelis Borluut, de heer van Boekel. In 1704 werd de windmolen verkocht aan Jan
de Cooman, maar tot aan de afschaffing van de heerlijkheden bij de aanvang van
de Franse bezetting werden er cijnsrechten betaald aan familie Borluut en later
van Melle.

Aanvankelijk
heette dit gebied de “Franckxkouter” De adellijke familie Vranckx die afkomstig
was uit Frans Vlaanderen op deze kouter meerdere bezittingen. Op oude kaarten
en plannen kan men de kouter terugvinden. Bij een KB werd de molen in 1945
beschermd, maar helaas werd ze in 1946 omvergetrokken. De lage molenwal werd
afgegraven en er werd een mechanische maalderij en woonhuis gebouwd. De
oorspronkelijke molenhoeve werd in de jaren tachtig van de vorige eeuw verbouwd. (Bron en tekst: Geert Wisse).
3.3 De
koutermolen
De
molen staat op de kouter te Rozebeke en domineerde vroeger de omgeving. Het is
een stenen koren- en oliewindmolen. De molen dateert uit de 18e
eeuw. Vanaf 1894 werd alleen nog graan gemalen. In 1955 werd hij vergroot en omgevormd tot mechanische
graanmaalderij. De molen is ontdaan van zijn wieken. Sinds 1975 is de witte
koutermolen als woning ingericht. (Bron: “Zwalm, Het
twaalf dorpenparadijs”, blz. 48).
3.4 De
Stenen Windmolen
Op
de Tarandushoogte op de grens tussen Dikkelvenne en Beerlegem staat al jaren
een stenen windmolen te verkommeren. Alleen de romp is nog overgebleven. Uit
archiefstukken blijkt dat er sprake was van een verbouwing van de molen in het
jaar 1771. In archiefstukken uit 1503
wordt al melding gemaakt van een windmolen te Beerlegem onder de benaming
“Molen ter Varent”. Hij was eigendom
van de dorpsheer en bij uitspraak van de Raad van Vlaanderen waren alle
inwoners van het Land van Gavere
gerechtigd om er hun graan te laten malen. (Bron: “Zwalm, Het
twaalf dorpenparadijs”, blz. 48).

3.5 D’Oude
Madrienne te Hundelgem
D’Oude
Madrienne, een stenen windmolen, dateert van 1775 en staat links van de steenweg
Oudenaarde-Aalst te Hundelgem. Thans is de windmolen van zijn kap en
molenwieken ontdaan. Enkel de molenromp is bewaard gebleven. (Bron: “Zwalm, Het twaalf
dorpenparadijs”, blz. 48).
3.6 Pedesmolentje of Bistmolen te Hundelgem
Deze
kleine molen dateert wellicht uit de 18e eeuw en is gelegen aan de
Passemaregracht (Krekelstraat 99). Aanvankelijk stond deze molen bekend als
“Bist”molen en later als “Pedes”molentje, omdat Benjamin Pede-De Clercq in 1938
eigenaar was geworden. De molen is uitgerust met drie steenkopels, een
graanbreker; een haverbreker en een builmolen. In 1968 werd de molen
stilgelegd. Door het vrij klein debiet moest de molenaar het water eerst lang
genoeg stuwen, tot er genoeg water was om de molen enkele uren te laten draaien.
In 1981 werden de molen en het dorpsgezicht als monument beschermd. De eigenaar
liet een maalvaardige restauratie uitvoeren. Het resultaat mag gezien worden. (tekst:
Geert Wisse).
Vóór
de Schelde werd gekanaliseerd, was er te Meilegem een aanlegsteiger, die voor
groot belang was voor de handel in de streek met de steden Oudenaarde en Gent.
Deze aanlegsteiger was gesitueerd ter
hoogte van de ‘Kaaihoeve’; dit verklaart de naam van de hoeve. De hoeve werd
meerdere malen herbouwd.
‘De
Kaaihoeve’ werd aangekocht door de Provincie Oost-Vlaanderen en ingericht als
educatief centrum voor allerlei natuur- en milieueducatieve activiteiten en
sensibiliseringscampagnes. (Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz.
53).

De kaaihoeve te Meilegem
4.2 In
bewerking.
5.1 De
Sint-Andrieskerk te Beerlegem
De
huidige kerk dateert van 1792, de toren van 1641. Voorheen stond er een
éénbeukig kruiskerkje, met stro bedekt (1596).
De
kerk is hoofdzakelijk gebouwd uit baksteen, afgewisseld met zandsteen. De
peilers zijn gebouwd met blokken Balgemse steen. (Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz.
22).

5.2 De
Sint-Bandenkerk te Dikkele
De
Gentse Sint-Pietesabdij bezat vanouds het patronaat over deze kerk. In 1840
werd de kerk herbouwd. De huidige kerk is opgericht in baksteen, met Ledische
zandsteen voor plint en hoekstenen, vermoedelijk gerecupereerd uit de oude
kerk. (Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz. 22
en 23).

Zicht op de St.
Pietersbanden kerk (Foto: Frans Roest)
5.3 De
Sint-Amanduskerk te Hundelgem
Het
Sint-Hemeskapittel te Ronse beheerde het patronaat Hundelgem. Het oudste
gedeelte van het huidige kerkgebouw behoort tot de Romaanse periode 12e
eeuw. De huidige kerktoren dateert van de uitbreiding van 1834. De kerk is
bijna in zijn geheel uit grote blokken Balegemse zandsteen opgetrokken. (Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz. 23
en 24).
5.4 De
Sint-Maartenskerk te Meilegem
Het
patronaat te Meilegem werd uitgeoefend door de O.L. Vrouw abdij te Affligem en
vanaf 1559 door de aarttsbisschop van Mechelen. Pas in begin van de 18e
eeuw kreeg Meilegem zijn eigen pastoor, daarvoor werd de parochie bediend door
de pastoor van het nabij gelegen Beerlegem.
De
huidige kerk is gebouwd eind 18e eeuw. De kerk is nagenoeg geheel in
baksteen. De kerk heeft een merkwaardig interieur, met mooi afgewerkte
vensterlijsten en moerbogen en o.a. een mooi beeld van Sint-Martinus. (Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz. 24 en 25).
5.5 De
Sint-Mattheuskerk te Munkzwalm
De
Gentse Sint-Baafskerk bezat in de middeleeuwen het patronaat over de kerk. De
huidige kerk werd opgericht in 1875 werd aan de overkant van de straat schuin
tegenover tegenover het oorspronkelijke kerkje gebouwd. Het is een bakstenen, driebeukige kerk. De
toren staat op de oostelijke hoek. Net als de kerkgebouw zelf is het interieur
overwegend
neogotisch
daterend uit het begin van de 20e eeuw. (Bron:
“Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz. 25 en 26).
5.6 De
Allerheiligenkerk te Nederzwalm
Het
O.L. Vrouwkapittel van Kamerijk bezat hier vanouds het patronaat. Het
oorspronkelijke kerkje moet een énbeukig Romaans of vroeggotisch kerkje in
Doornikse kalsteen zijn geweest. Er hebben in de loop van de tijd diverse verbouwingen
plaatsgevonden. Na de fusie met het gehucht Hermelgem werd in 1851 de
benedenkerk uitgebreid met twee zijbeuken. De toren werd geflankeerd door een
doopkapel in het zuiden en een
bergplaats met trap naar het doksaal in
het noorden. De kerk is grotendeels in baksteen, met hier en daar
herbruikte Doornikse zandsteen of Ledische zandsteen. Het interieur is laat 17e,
begin 18e eeuw. In de kerk bevinden zich enkele waardevolle
schilderijen en prachtig zilverwerk. (Bron: “Zwalm, Het twaalf
dorpenparadijs”, blz. 26 en 27).
5.7 De
Sint-Gangulphuskerk van Paulatem
Het
patronaat van de kerk was in de middeleeuwen in het bezit van het H.
Kruiskapittel van Kamerijk. De kerk was oorspronkelijk een 12e eeuws
eenbeukig romaans zaalkerkje in Doornikse kalksteen. De éénbeukige kerk werd in
de loop van de eeuwen een aantal keren verbouwd. Het gotisch koor dateert uit
de 14 eeuw. Tijdens de restauratie van 1832 werd ook de westgevel met bakstenen
bekleed. De kerk is voorzien van een houten dakruiter. Sint-Gangulfus is de
beschermheilige van bedrogen echtgenoten. De kerk bevat 16e, 17e
en 18e eeuwse kerkmeubelen en kunstwerken, waaronder een laatgotisch
hout beeld van de heilige; een fraai altaar en een zeskantige eiken preekstoel.
(tekst: o.a Geert Wisse).

Zicht op het kerkje
van Paulatem (Foto: Frans Roest)
5.8 De
Sint-Denijskerk van Roborst
De
kerk behoorde in de middeleeuwen toe aan de Sint-Pietersabdij te Gent. In 1767
werd de kerk volledig vernieuwd. In de loop van de 20 eeuw werden verschillende
restauraties uitgevoerd. De kerk is centraal gelegen aan het dorpsplein. Ze is
grotendeels opgetrokken in baksteen met enkele gedeelten Ledische zandsteen.
Het is een driebeukig pseudo-basilieke
kerk van drie traveeën. De westtoren heeft een vierkantige romp, een achtkantige
geleding en een klokvormige geleding, een unicum in het kanton. Het interieur
bevat een mooie 18e eeuwse preekstoel, en een aantal 17e
eeuwse schilderijen. Waaronder een schilderij die die wordt toegeschreven aan
Maarten De Vos. (Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz. 29 en 30).

5.9 Onze
Lieve Vrouwekerk van Rozebeke
Het
patronaat Rozebeke, 1040 nog een afhankelijkheid van Roborst, viel vanaf 1040
door een schenking in het patrimonium van de Sint-Pietersabdij te Gent. In 1164
schonk de Sint-Pietersabdij aan Rozebeke een Lieve Vrouwe beeld. Het is dus
goed mogelijk dat de romaanse kerk, waarvan de beuk grotendeels is bewaard,
werd opgericht in de 12 eeuw. I n de tegenstelling tot de meeste andere kerkjes
in de streek, werd tijdens de beeldenstorm van 1566 en later nogmaals in 1579 veel
schade aan de kerk aangericht. In 1579 werd de kerk zowel geplunderd als in
brand gestoken. De kerk werd hersteld en in de loop der eeuwen diverse malen
gerestaureerd. In 1938 werd de kerk bij Koninklijk Besluit de geklasseerd.
De
kerk is aan Onze-Lieve-Vrouw toegewijd. De kerk was een bedevaartsoord tegen
roos en pest. De kerk wordt ook wel de kathedraal van Zwalm genoemd.
Het
grondplan van de kerk bestaat een enkelvoudig romaanse beuk. De beuk is
opgetrokken uit natuursteen (ijzerzandsteen en Doornikse kalksteen). Het
verhoogde bovengedeelte van de zijmuren is baksteen en de 17e eeuwse
westgevel is in baksteen met zandstenen speklagen. Dat er regelmatig
verbouwingswerkzaamheden hebben plaatsgevonden is te zien aan de vele
dichtgemetselde vensters en deuren.

Het
interieur is overwegend 18e eeuws. Het rijke meubilair van de kerk
is voor een gedeelte afkomstig van de abdij van Maagdendale te Oudenaarde,
nadat deze tijdens de Franse bezetting was opgeheven (1796). De kerk bevat een
15e eeuwse hardstenen doopvont en
een barokaltaar uit 1645, diverse belangrijke Maria beelden en
schilderijen. Tijdens open monumentendag is de kerk opengesteld voor het
kunsthistorisch minnend publiek. (Bron: “Zwalm, Het twaalf
dorpenparadijs”, blz. 30, 31 en 32).
5.10 De
Sint-Blasius-kerk te Sint-Blasius-Boekel
Deze
kerk kwam na een schenking onder het patronaat van de Sint-Salvatorabdij te
Ename en was eerst toegewijd aan Sint-Bavo. Deze werd in 1619 verdrongen door de
meer populaire Sint-Blasius. De oorspronkelijke kerk zou een kleine kruiskerk
zijn geweest. De kerk werd tijdens de beeldenstorm (1566) beschadigd en in 1583
door krijgsverrichtingen op het kerkhof. Ook kreeg de kerk te kampen met brand
als gevolg van een blikseminslag in 1666.
In 1846 werd de benedenkerk afgebroken en opnieuw voltooid in 1849.

Vergezicht op de
kerk van St-Blasius-Boekel
De
huidige kerk is een driebeukige pseudo-basilikale kerk. De kerk is bijna geheel
uit bakstenen bebouwd, in de oudere oostpartij werden blokken zandsteen
verwerkt. De benede kerk heeft arduinen plinten. Het interieur bevat een
schilderij uit 1666 van Antoon Van den Heuvel “Sint-Blasius geneest een
kind”. (Bron: “Zwalm, Het twaalf
dorpenparadijs”, blz. 33).
5.11 De Sint-Denijskerk te Sint-Denijs-Boekel
Het
patronaat van deze kerk werd in de middeleeuwen door de St. Baafs-abdij te Gent
uitgeoefend. Oorspronkelijk moet het kerkje éénbeukig zijn geweest, waarvan de
oostgevel in Doornikse kalksteen, nog aanwezig is. Daarbij sloot een lager
koortje aan. Het huidige koor is van latere bouw. In de 17e eeuw,
18e eeuw werden respectievelijk een sacristie, voorportaal, nieuw torentje
gebouwd. In de 19e eeuw werd de benedenkerk verbouwd tot driebeukige
pseudobasiliek. In het begin van de 20e eeuw vond een totale
restauratie van de kerk plaats, met onder meer verlenging en verbreding van het
schip in, de toevoeging van een doopkapel en het bouwen van een nieuwe
sacristie en traptoren.

Thans
bestaat de kerk uit een driebeukige benedenkerk, waarvan de middenbeuk, waarvan
de middenbeuk een halve travee westwaarts vooruitspringt en waarbij ten noorden
de doopkapel aansluit. Het middenkoor is Doornikse kalksteen, verder uit
baksteen en zandsteen, met in de plinten herbruikte Doornikse steen. Het
torentje is een houten dakruiter. De sacristie bevindt zich in de
zuid-oostelijke hoek, de cilindrische traptoren in de noord-oostelijke hoek. De
kerk is afgedekt met zadeldaken.
Het
interieur van de kerk is in de 20e eeuw volledig vernieuwd. Het
interieur omvat nog een schilderij uit de 17e eeuw, dat wordt
toegeschreven aan A. van den Heuvel, “Christus van het kruis afgenomen.” (Bron: “Zwalm, Het twaalf
dorpenparadijs”, blz. 34 en 35).
5.12 De
Onze-Lieve-Vrouwekerk van Sint-Maria-Latem.
Over
de geschiedenis van het oorspronkelijk kerkje en verbouwingen in de 13e
en 14e eeuw is weinig bekend, evenmin omtrent de beschadigingen die
tijdens de beeldenstorm en de godsdienstoorlogen uit de 16e eeuw
werden aangericht. Op een schets uit 1707 werd de kerk voorgesteld als een
éénbeukige kruiskerk met achtkantige vieringstoren.
De
huidige verbouwde kerk dateert uit 1910 is voor het grootste gedeelte opgericht
in Doornikse kalksteen, met sporadische wat veldsteen. De kerk bestaat thans uit
een driebeukige benedenkerk van drie traveeën, met aan de noordelijke zijbeuk
een vijfzijdige doopkapel. De achtkantige toren (lantaarntoren) is geheel uit
Doorninkse steen. Tenzijde van het koor werd een nieuwe sacristie aangebouwd en
ten noorden een traptoren en een bergplaats.
Het
interieur van de kerk omvat een omvangrijke preekstoel en meerdere schilderijen
uit de 17 en 18e eeuw.
Volgens
bewaarde documenten schonken Reinelmus en Ida de landbouwhoeve Wijlegem aan de
Sint-Pietersabdij van Gent, als dotatie bij hun schenking van de kerk van
Roborst. Mogelijk was bij deze schenking van boerderij annex villa, ook een
kapel inbegrepen. In 1108 wordt door bisschop Odo de schenking bevestigd, in de
akte wordt naast de boerderij, ook een kapel vermeld, toen nog toegewijd aan
Sint-Bartholomeus. De Sint-Pietersabdij behield het patronaat tot de kerk in
1566 werd ontheiligd door de protestanten. Na de godsdienstperikelen werd de
kerk als schuur gebruikt.

In
het begin van de 17e eeuw werden herstellingswerken uitgevoerd en
werd de kapel opnieuw gewijd. De kapel werd toen opgedragen aan O.L. Vrouw. Weer
later, men weet niet meer precies wanneer, werd Sint-Margaretha de patrones.
Tot
het eind van de 18e eeuw werd de kapel bediend door de pastoor van
Roborst. Vanaf 1790 door de pastoor van Sint-Blasius-Boekel.
De kapel bevindt zich op een hoogtepunt tussen
Sint-Denijs-Boekel en Sint-Blasius-Boekel, in de wijk Wijlegem. Vroeger was ze
omringd door een klein kerkhof. Ernaast en rechtover liggen twee grote hoeven.
Het geheel is zowel historisch als landelijk waardevol.
De kapel zelf is een klein rechthoekig zaalkerkje,
grotendeels uit baksteen met hier en daar wat Doornikse kalksteen. Grondlaag,
hoekstenen, geveloren en deuromlijsting zijn in zandsteen. Het zadeldak is in
de oostzijde door een enkel schild afgeschuind. In het midden van de nok staat
een zeskantige dakruiter. De zandstenen
omlijsting van het westportaal draagt het jaartal 1788.
6.1.3 Restauratie
In 1995-1996 werd op initiatief van het gemeentebestuur de
kapel volledig gerestaureerd. In de
buitenmuur was tot voor de restauratie van 1995 een grijze steen (18e
eeuw) ingemetseld met het wapenschild van de Sint-Pietersabdij. Gezien zijn
historische waarde en de kans op verdere erosie; werd deze steen aan de
binnenkant van de kapel aangebracht en buiten vervangen door een kopie in
blauwe kalksteen. Ook werd het 18e eeuws Christusbeeld aan de
oostmuur van het gebouw vervangen door een kopie.
Het interieur bleef relatief goed bewaard: er is een
prachtige communiebank in houtsnijwerk. Het doksaal en de armmeesterbank zijn eveneens
volledig in het hout uitgevoerd.
Op 20 juli werd in Wijlegem de jaarlijkse bedevaart
gehouden. Zwangere vrouwen en zieke kinderen gingen er naartoe om gunsten af te
smeken van de heilige Margaretha, de Romeinse martelares. (Bron: o.a.
“Zwalm, Het twaalf
dorpenparadijs”, blz. 41en 42).
Deze
kapel werd in de 19e eeuw opgericht ten zuiden van het dorp, langs
de weg die de twee boekels verbindt Het kapelletje is in baksteen en bevindt zich
tussen twee lindebomen.
(Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz.
38).
Ongeveer
(Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz. 38
en 39).
Deze
kapel werd gebouwd op initiatief van mej. F. Petit en gewijd in 1876. In 1941 werd ze vergroot, in 1956 werden de
7 staties van O.L.Vrouw van Smarten toegevoegd.
(Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz. 38
en 39).
6.5 De kapel
“Nood zoekt troost” te Nederzwalm
De kapel bevindt zich langs de Stationsstraat te Nederzwalm,
op de hoek van de Biestmolenstraat. De kapel werd in 1933 gebouw op initiatief
van de familie J. van Durme-Van der Bauwede. Vooral de bouwstijl en het
speciaal steensverband zijn opvallend aan deze kapel. Tot 1996 was de kapel
privaatbezit. In dat jaar schonken de eigenaren de kapel aan de gemeente. (Bron:
“Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz. 39).
6.6 De Vredeskapel te Munkzwalm
Langs
de Zwalmbeek, ongeveer op de plaats waar de vroegere kerk van Munkzwalm heeft
gestaan, werd op initiatief van de families Putman en Matthys, uit dankbaarheid
voor de terugkeer van een familielid uit een Nazi-concentratiekamp, na de
oorlog “de Vredeskapel” opgericht.
(Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz.
39).
6.7 De “Grote kapel” te Sint Maria-Latem
Over
de oorsprong van deze kapel is weinig bekend. Wel weten we dat de kapel in 1890
werd vergroot op initiatief van de familie Imschoot. Het huidige beeld in de
kapel werd geschonken door E.H. Imschoot. Er was in het verleden sprake om de
kapel af te breken voor de verbreding van de provinciale weg Aalst-Oudenaarde,
maar de kerkfabriek verzette zich tegen deze plannen.
(Bron: “Zwalm, Het twaalf dorpenparadijs”, blz.
39).